Het altijd groeiende en bloeiende plantenleven buiten valt veel mensen vaak amper meer op. Maar als je stilstaat bij de diversiteit, en met aandacht kijkt, heb je een nieuwe bron van verwondering gevonden. Zeven dingen die je vast nog niet wist over planten – en evenveel lessen die je daarmee van ze kunt leren.
1. Verwondering
“Ze kunnen lícht eten, is dat niet genoeg?’’ Het is een uitspraak van plantkundige Timothy Plowman. Als je erover nadenkt is het inderdaad een wonder: planten maken leven uit dode ingrediënten. Ze doen aan fotosynthese, ze gebruiken de energie uit zonlicht om CO2 te splitsen. De zuurstof (O2) sturen ze de atmosfeer in en van de koolstof (C) bouwen ze eiwitten, vetten en koolhydraten. Planten kunnen leven maken uit dode dingen. Als enige! Zonder planten was de aarde niet bewoonbaar, en zou de rest van het leven nooit zijn ontstaan. En toch nemen we ze maar gewoon voor kennisgeving aan. Planten: de geruststellende groene achtergrond van ons bestaan.
Plantenblind
We zijn plantenblind, tot we ze echt zien. Neem zo’n paardenbloem, hoe bijzonder kan die nou helemaal wezen? Maar kíjk. Het is een plant uit de composietenfamilie: je ziet één geel bloemhoofdje, maar elk geel lintje is een aparte bloem. In Nederland zijn een paar honderd (!) soorten paardenbloemen. Met die lange penwortel haalt hij mineralen diep uit de bodem, zodat ze beschikbaar komen voor organismen aan de oppervlakte. Goed voor de bodem, voor insecten en voor ons: jonge paardenbloemblaadjes zijn een vitaminebommetje in de lente.
2200 plantensoorten in Nederland
Zo kunnen we nog wel even doorgaan, en dan hebben we het alleen nog maar over de paardenbloem. In Nederland komen ruim 2200 plantensoorten voor en hoe beter je kijkt, hoe meer je er ziet. Tussen de straattegels: liggende vetmuur. Bij de bushalte: hertshoornweegbree. Tegen een muurtje: muurleeuwenbek. Heermoes? Lastig in de moestuin, maar bedenk: het was er al lang voordat er mensen waren, voordat er dinosauriërs waren, zelfs voordat er insecten waren. Het is een soort lego-plant: je kunt de stengel in stukjes uit elkaar trekken (en dan, met wat meer moeite, weer in elkaar zetten). Dan hou je, nu, op dit moment, een stukje geschiedenis van de aarde in je handen. Wat een wonder is dát.
2. Groeien
Planten bewegen, ze ademen, ze slapen, maar in een ander tempo dan wij kunnen waarnemen. Pas als je een timelapse-video bekijkt, zie je hoe klaverzuring ’s nachts de blaadjes invouwt, hoe kamerplanten gedurende de dag de positie van hun bladeren veranderen, hoe klimplanten rondslingeren op zoek naar houvast.
Groeihormonen
Het fascineerde Charles Darwin mateloos. Hij is vooral bekend vanwege zijn boek over de evolutie, maar Darwin was een plantenman: in zijn (ook baanbrekende!) boek ‘The Power of Movement in Plants’ schrijft hij onder meer over hoe planten groeien als reactie op de zwaartekracht en de beschikbaarheid van water, en hij deed talloze onderzoeken om te onderzoeken hoe planten reageren op licht. Dat is een kwestie van groeihormonen (die bewegen wég van het licht: de schaduwkant van een stengel groeit sneller waardoor een bloem zich naar de zon richt), maar planten reageren ook op wat zich in hun omgeving bevindt. Dat kun je zelf ook observeren. Bij lathyrus bijvoorbeeld. De zaailing groeit een tijdje aarzelend, zoekt wat in alle richtingen, tot-ie een goede steun gevonden heeft en dan ineens doelbewust omhoog begint te klimmen.
Naar het licht
Is dat niet hoe alle groei gaat? Je tast een tijdje om je heen, op zoek naar iets dat je raakt, iets waaraan je je kunt vasthouden, iets dat steun en richting kan geven. Een idee, een fascinatie, iemand die belangrijk voor je is. En dan ga je groeien. Omhoog, naar het licht.
3. Hulp vragen
Planten reageren op hun omgeving. Hun wortels groeien in de richting van voedingsstoffen. Bomen laten, als hun takken groeien, ruimte voor de buren. Als het lente wordt, komen ze in bloei en doen van alles om insecten aan te trekken. Vraag is: doen ze dat bewust? Hebben planten bewustzijn, of een vorm van intelligentie? Het is een vraag die zorgt voor verhitte discussies onder botanici en uiteindelijk hangt het er vooral van af wat je precies verstaat onder ‘bewustzijn’.
Signalen
Zoe Schlanger, auteur van ‘Lichteters’, heeft het liever over ‘agency’, of handelingsbekwaamheid, de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op je omgeving. En dat hebben planten zeker. Ze móeten ook wel. Ze lijken er passief bij te staan, op hun vaste plek en geworteld in de grond, maar ze sturen bijvoorbeeld allerlei signalen de wereld in om insecten te lokken of juist af te stoten.
Win-win
Witte koolplanten die door rupsen van het koolwitje worden aangevreten, maken als reactie specifieke geurstoffen aan waar sluipwespen op afkomen die in de rupsen hun eieren leggen. De streepjes die je op sommige bloemen ziet (bij het kaasjeskruid bijvoorbeeld) zijn een soort landingsbaan en wijzen insecten in de richting waar voedsel te vinden is. De bloemen van de paardenkastanje verkleuren van wit naar rood als ze zijn bevrucht, zodat bestuivers weten dat er geen nectar meer te halen is. Het is een grote ruilhandel: het insect krijgt wat lekkers, de bloem stuurt een pakketje stuifmeel mee om de bloem verderop te bevruchten. Win-win.
Reflectiemomentje: hulp vragen is een vorm van samenwerken. Durf te vragen wat je nodig hebt om tot bloei te komen, en geef waar je genoeg van hebt. Maak het leuk!
4. Samenwerken
Heb je viooltjes in de tuin, of sneeuwklokjes? Bekijk de rijpe zaadjes onder een loep: er zit een wit friemeltje op, een mierenbroodje. Het bevat suikers waar mieren dol op zijn. Die slepen het geheel mee naar hun nest en halverwege laat het mierenbroodje los (of ze knagen het los omdat ze het gezeul zat zijn) en zo vallen die zaden ergens op de vruchtbare grond, tussen plant en mierennest. Als je een tijdje wacht: een tapijt van sneeuwklokjes.
Planten zetten mensen in
Er zijn nog meer planten die mieren rekruteren om de wereld te veroveren (ruwe smeerwortel, witte dovenetel, komkommerkruid), maar nog slimmere planten zetten natuurlijk mensen in. Ze maken iets dat wij heel lekker vinden, en wij verspreiden de zaden. Maïs, rijst, aardappelen, radijsjes, tomaten, appels en peren: we slepen ze mee en dat niet alleen, we vertroetelen ze, we veredelen ze, we geven ze licht en voedingsstoffen en water, we zijn de hele dag in de weer om te zorgen dat het ze aan niets ontbreekt. Het is een ander perspectief, een lesje nederigheid misschien: we denken dat we zoveel zijn, maar we zijn gewoon het hulpje van de goudrenet en de graslelie. Hophop, aan het werk. Even de plantjes water geven!
5. Verbondenheid
Toen bosecoloog Suzanne Simard onderzoek deed naar bomen, ontdekte ze dat die via schimmelnetwerken in de bodem voedingsstoffen aan elkaar kunnen doorgeven: in de zomer helpt de berk de spar, in de winter andersom. Het was een revolutionaire ontdekking. Een bos bleek niet gewoon een verzameling losse bomen, maar een samenhangend geheel. Dat veranderde over hoe er over bossen wordt gedacht. Voordien gingen bosbouwers ervan uit dat je in een bos het beste de grootste, oudste bomen het eerst kon kappen. Maar het zijn juist die ‘moederbomen’ die via hun netwerken de jonge bomen helpen om te groeien.
Die verbondenheid vind je niet alleen in het bos. Negentig procent van alle planten leeft in een vorm van symbiose met schimmels in de grond. De planten leveren suikers, de schimmels zorgen voor extra water en mineralen.
De voordelen van een groene leefomgeving
Zijn mensen ook deel van het netwerk? Het doet ons in elk geval goed om veel groen in de buurt te hebben, blijkt uit onderzoek van onder meer Cecil Konijnendijk, onderzoeker op het gebied van stedelijke vergroening. Hij stelde de ‘3-30-300’-regel op voor een gezonde, groene leefomgeving: liefst heb je vanuit je woning uitzicht op drie volwassen bomen, ligt in de zomer dertig procent van je wijk in de schaduw van bomen, en woon je op maximaal driehonderd meter van een park of een ander stuk natuur. Zo’n groene omgeving is goed voor je gezondheid, helpt tegen stress, gaat hitte tegen in de zomer. Te weinig groen in de buurt? Een paar grote planten in je kamer hebben ook al een positief effect.
6. Delen
Heb je wel eens, tijdens een wandeling naar het strand, een rijpe duindoornbes in je mond gestopt? Je weet niet wat je proeft. Een natuurlijk zuurtje, een explosie van smaak, de belofte van kostbare stofjes die je lichaam nodig heeft en waarvan het al die tijd dacht dat het in snoep uit de fabriek te vinden was. Ach, wat een misverstand. En de struiken zitten zó vol, het duin kleurt er oranje van. Koperwieken en andere trekvogels kunnen er geen genoeg van krijgen – als het sap begint te gisten wordt alcohol gevormd, dan is het helemaal feest.
Overvloed werkt aanstekelijk
Planten geven in overvloed. Bessen, noten, zaden, het kan niet op. Die overvloed werkt aanstekelijk: mensen met een moestuin zijn altijd gul. ‘Wil je een tomatenplantje? Ik heb over!’ ‘Hou je van courgettes? Mooi, want ik kom erin óm!’ Of ze weten van gekkigheid niet waar ze heen moeten met de pruimen, kílo’s jam gemaakt dit jaar, wil jij nog?
Een web van wederkerigheid
Precies dat is waarover Robin Wall Kimmerer het heeft in haar nieuwe boek ‘The Serviceberry’. De ‘serviceberry’ is een krentenboompje, maar je zou er elke struik of boom voor kunnen nemen die vruchten in overvloed geeft. Robin Wall Kimmerer gebruikt de boom als inspiratie voor het denken over economie. Als je van planten iets krijgt, geeft dat ook een verantwoordelijkheid: om respect en dankbaarheid te tonen, en om de overvloed met anderen te delen. Die manier van denken is radicaal anders dan hoe het gaat binnen het kapitalistische systeem, waarin alles is gericht op schaarste en op hebben, hebben, hebben. In de gift-economie draait het leven niet om geld en spullen, maar om dankbaarheid en verbinding. Dan maak je deel uit van een web van wederkerigheid, dat sterker wordt naarmate je meer met anderen deelt.
Gift-economie
Je kunt er vandaag al aan meedoen, want als je goed kijkt zie je overal tekenen van die gift-economie. De buurtbibliotheekjes bijvoorbeeld, waar we boeken voor elkaar achterlaten. Je kunt je tijd, aandacht, liefde geven in allerlei soorten vrijwilligerswerk. En meer groenten en fruit van het seizoen eten is trouwens ook al een prima manier om de overdaad te waarderen die van planten komt. Richt je op de dingen waarvan je kunt zeggen: ‘Hier, voor jou! Ik heb meer dan genoeg!’
7. Samenleven
“Elk verhaal over planten is een verhaal zonder eind,” schrijft onderzoeker Hope Jahren in haar memoir ‘Lab Girl’. Voor elk ontdekt feitje dat ze zeker weet, heeft ze minstens twee vragen waar ze dolgraag een antwoord op zou willen. Moesten de dinosauriërs niezen van de allereerste bloemen? Zijn er planten op andere planeten? Kunnen planten echt hun broers en zussen herkennen, zoals sommige onderzoeken lijken aan te tonen? Hoeveel we ook over ze leren, en hoezeer we ons soms ook in planten herkennen: planten zijn fundamenteel anders dan wij. We zullen ze nooit écht kunnen begrijpen, maar we kunnen wel relaties met ze aangaan.
Jouw boom
Hope’s tip: als je de kans hebt, plant een boom (liefst een robuuste, inheemse) of kies een boom uit in een park of bos waar je regelmatig komt. Maak die boom jóuw boom. Observeer hem. Bescherm ‘m, als dat nodig is. Belangrijk moment in je leven? Ga langs bij je boom, betrek hem erbij. Is je boom al veel ouder dan jij, probeer je z’n leven als zaailing voor te stellen: hoe zag de wereld er toen uit? Wie hebben er tegen zijn stam geleund, in de loop van de jaren, wie hebben hier geschuild voor de regen, of troost gezocht? Hoe zag Nederland eruit, toen jouw boom jong was? Hoe zal het zijn over honderd jaar, als deze boom er nog steeds is?
Zo bouw je een band op die steeds sterker wordt. De boom groeit, jij ook. Zo’n boom wordt deel van jouw verhaal, en jij maakt deel uit van het verhaal van die boom. Mensen en planten, we delen een verhaal. Het is het verhaal van het leven.
Beeld: fotografie door Peggy Janssen, styling door José Spaans, visagie door Carmen Gonzales